(Mariëtte Peirs, °1935)
Handel en vlasmarkt
Naar de vlasschaarden
Tegen het einde van de lente trokken de vlassers op pad om vlas te kopen. Meestal werd een partij vlas op de vlaschaard gekocht voor het slijten. Dat was een groot risico, daar wispelturige weergrillen tijdens het slijten of het drogen de waarde van het vlas fors konden doen dalen. Maar de angst voor onverwachte mededinging van andere kopers maakte de vlassers ongedurig. Anderen wachtten toch liever tot het vlas gesleten en gedroogd was, vooraleer met behulp van een weegbrug een prijs te bepalen. Het vlas werd steeds “op voet” (per hectare) of op gewicht gekocht. Soms kon dat een wezenlijk prijsverschil opleveren.
De kleine vlassers kochten hun vlas meestal in de wijde omgeving van de Leiestreek. Zo stonden de dorpen Gottem en Grammene, in de buurt van Deinze, bekend omwille van hun kwaliteitsvlas. Anderen trokken verder, naar Henegouwen, Haspengouw of de Westhoek. Wie kon ging ook een kijkje nemen over de grens: vooral de uitgestrekte vlaschaarden van Normandië waren erg in trek. Ook Friesland, Zeeland en Flevoland genoten een goede reputatie. Een enkele keer werd er vlas uit meer exotische gebieden naar de Leie verscheept: uit Egypte, Tsjechië of Oekraïne.
Bij hun bezoeken aan een vlasstreek, zeker in den vreemde, deden de vlassers meestal een beroep op een “courtier” die de regio op zijn duimpje kende. Deze “vlasfacteur”, meestal een vlotte babbelaar, trad op als een soort makelaar en verdiende een aardig percentje op de verkoop. In Normandië ging het gekochte vlas vervolgens, na het slijten, de trein op en werd in de dorpsstationnetjes aan de Leie afgeleverd.