(Paul Dekeyser, °1928)
Neergang en reconversie
De moeilijke jaren
Tijdens de Korea-oorlog (1950-1953) en de Suez-crisis (1956) beleefde het vlas een laatste gouden tijd, maar daarna ging het vliegensvlug bergaf. Door de import van goedkoop Russisch vlas, de Franse subsidiepolitiek en de stijgende brandstofprijzen kregen veel vlassers het steeds moeilijker om te overleven, te meer ze de neiging hadden om met hun zuurverdiende centen de schuren steeds opnieuw vol vlas te stouwen. Door de ontwaarding van deze voorraden slonk het vermogen van de vlassers zienderogen. Een onzekere financiële toekomst noopte velen dan ook om de handdoek in de ring te gooien. Met pijn in het hart namen ze afscheid van een stiel vol traditie, die generaties lang synoniem had gestaan voor de Leiestreek.
Het aantal producenten verschrompelde en typische vlasberoepen verdwenen. De functie van botenkoper raakte nagenoeg overbodig en ook het aantal verzenders nam sterk af. Bij de resterende bedrijven drongen nieuwe investeringen zich op om de concurrentiepositie te vrijwaren. De doorgedreven mechanisering van het vlasbedrijf raakte vooral de duizenden vlaswerkers hard.
Gelukkig waren er alternatieven. Het vlas was immers niet langer de enige economische sector van belang in de regio. Staaldraadproducent Bekaert in Zwevegem, een bedrijf in volle expansie, bood vele ex-vlassers bestaanszekerheid. Niettemin voelden deze gewezen zelfstandigen het werk in loondienst vaak aan als een pijnlijke vernedering.