Het wedervaren van het vlas
Toen ik jong was en schoon
Droeg ik een blauwe kroon
Toen werd ik oud, stijf en voos
Werd ik geslagen vals en boos
Dan werd ik gedragen
Door hogen en lagen
Toen men die eer me onwaardig vond
Toen hielp ik helen menig wond
(Pol de Mont naar een Oost-Vlaams volksliedje)
Lichtmis vroeg de zon aan de toren
Dan gaat alle vlas verloren
Ik smijt mijn vlas bij 't vuur niet
(je moet de kat niet bij de melk zetten)
Met zijn gat op een hekel zitten
(in een hachelijke positie verkeren)
Alle dingen blijven zoals het was:
Het begijntje moet spinnen vlas
En de paters drinken uit het grote glas
Zijne rugge staat
(hij is stram van het zware werk)
't Es gelijk een muziekreke
(de kapellen staan schots en scheef)
't Staat in een negerdorp
(de kapellen staan samen in stuiken om ze te beschermen tegen de wind)
Na het slijten
De boeren komen tegen
Uit schuur en huis en stal
Zij danken ons genegen
En 't is dan slijtersbal
Ik drinke dan en 'k zinge
Een lied met zot geweld
O streek, mijn lievelinge
Gegroet, o vlasseveld!
(Slijtlied gezongen tijdens de Vredesstoet te St-Goriks in 1945.
Bron: B. Dewilde, Twintig eeuwen vlas in Vlaanderen, 116.)
Over de kwalijke geur van rotend vlas
Men zegt, als 't vlas ter Leie ligt
In zware hekkens hekeldicht,
En rotend zuigt het wondersop:
Er stijgt een erg vuil reukske op.
Maar 't volk verdraagt dit geurke graag,
En zegt 't is goed voor long enmaag
En 't doodt de mikroben nog erbij
Beweren en geloven zij
(Omer Provoost, De Leiezang)
Snuift ui deel ip en zwiegt!
(Repliek als iemand klaagt)
Toen ik jong was en schoon
Droeg ik een blauwe kroon
Toen werd ik oud, stijf en voos
Werd ik geslagen vals en boos
Dan werd ik gedragen
Door hogen en lagen
Toen men die eer me onwaardig vond
Toen hielp ik helen menig wond
(Pol de Mont naar een Oost-Vlaams volksliedje)
Lichtmis vroeg de zon aan de toren
Dan gaat alle vlas verloren
Ik smijt mijn vlas bij 't vuur niet
(je moet de kat niet bij de melk zetten)
Met zijn gat op een hekel zitten
(in een hachelijke positie verkeren)
Alle dingen blijven zoals het was:
Het begijntje moet spinnen vlas
En de paters drinken uit het grote glas
Zijne rugge staat
(hij is stram van het zware werk)
't Es gelijk een muziekreke
(de kapellen staan schots en scheef)
't Staat in een negerdorp
(de kapellen staan samen in stuiken om ze te beschermen tegen de wind)
Na het slijten
De boeren komen tegen
Uit schuur en huis en stal
Zij danken ons genegen
En 't is dan slijtersbal
Ik drinke dan en 'k zinge
Een lied met zot geweld
O streek, mijn lievelinge
Gegroet, o vlasseveld!
(Slijtlied gezongen tijdens de Vredesstoet te St-Goriks in 1945.
Bron: B. Dewilde, Twintig eeuwen vlas in Vlaanderen, 116.)
Over de kwalijke geur van rotend vlas
Men zegt, als 't vlas ter Leie ligt
In zware hekkens hekeldicht,
En rotend zuigt het wondersop:
Er stijgt een erg vuil reukske op.
Maar 't volk verdraagt dit geurke graag,
En zegt 't is goed voor long enmaag
En 't doodt de mikroben nog erbij
Beweren en geloven zij
(Omer Provoost, De Leiezang)
Snuift ui deel ip en zwiegt!
(Repliek als iemand klaagt)
- Aftel: [counting off] het keuren van de geleverde balen vlas in het verzendhuis van de exporteur. Een koop was maar besloten na de aftel.
- Aftelruimte: de plaats in het verzendhuis waar de aftel plaatsvond. Een schuin glazen dak, op het noorden gericht zorgde voor de lichtinval die het keuren vergemakkelijkte.
- Afsnuiten: de uitstekende harrels van een bos vlas trekken, zodat deze mooi gelijk wordt.
- Alfaband: [citroenkoord] een soort sisalkoord die rond sinaasappelkisten zit en gebruikt wordt om bossen gerepeld en geroot vlas te binden.
- Baal: standaardmaat in de vlassector. Een baal vlas woog 103 kg. Op de baal werd het merk en naam van de bestemmeling in Dundee of Belfast aangebracht.
- Balendragers: hulpje van een voerman. Het waren mannen met een ijzeren gestel die zonder moeite de hele dag door balen laadden, losten en stapelden.
- Baleçon: [bezatse] typische knapzak van de seizoensarbeiders die op slijtcampagne trokken.
- Berevlas: gezwingeld vlas waar kleine haartjes en houtdeeltjes naar boven blijven steken. Men zei dan wel eens: “Het is op de rug van den beer gegroeid!”
- Bezjons: Rotend vlas in dubbelschoven, dit wil zeggen handsvollen vlas die geschrankt op elkaar gelegd of gebonden zijn.
- Blauwroten: [slootroot] roten in stilstaand water. In sloten, poelen en rootmoeren. Bij die werkwijze kregen de vlasvezels een blauwe schijn.
- Boot: Een maat vlas. Er gingen 72 boten in één baal. Een boot bestond uit drie handsvollen of poten en woog dus ca 1,43 kg.
- Boten: met behulp van een zware, platte houten blok met een kromme steel het vlas ontzaadden door de knoppen te pletten. Dit gebeurde in de schuur waar een harde, gladde bootvloer was aangelegd. In de 20ste eeuw werd deze werkwijze gemechaniseerd en deed de bootmachine haar intrede.
- Botenkoper: [vlashandelaar, vlasmarchand] hij kocht partijen vlas bij de vele vlassers in de streek, maakten ze op, en verkocht ze op hun beurt door aan de verzenders.
- Botenkamers: de magazijntjes van de botenkopers, voorzien van een typische halve deur. Tot op heden prominent aanwezig in de Liebaardstraat in Desselgem, de Kortrijkstraat in Kuurne en de Nieuwstraat in Wevelgem.
- Brakelen: de houten bast van het vlas met behulp van een braak, knappe of cilinder breken om de vezel die op de stengel ligt, los te maken.
- Buzze: de maandagse vlasbeurs in Kortrijk. Hier werd informatie uitgewisseld en rekeningen vereffend.
- Bussel: een bos vlas.
- Cilinder: rolbraak. Dit toestel werd gebruikt om de houten vlasbast te breken voor het zwingelen.
- Courtier: [vlasfacteur] makelaar die als tussenpersoon optrad bij het kopen van vlas bij boeren in vreemde streken zoals Normandië, Friesland of Wallonië.
- Dode hèrel: vlasziekte waarbij de stengel geheel of gedeeltelijk afsterft en die gewoonlijk optreedt kort voordata het gewas rijp is.
- Duivel: [Duvex]: ziftmachine waarbij de laatste bruikbare klodden en korte vezels uit het vlasafval gehaald worden.
- Exporteur: [verzender] iemand die de vlasvezels van de botenkopers koopt en naar de spinnerijen verstuurt. In veel gevallen ging het om Britten die in opdracht van Schotse en Ierse spinnerijen werkten. Gerenommeerde verzendhuizen in Kortrijk waren onder meer: Titterington, Godfrey, John Hogg & Co. en het Engelsch Syndikaat.
- Emballeur: personeelslid van een verzendhuis wiens taak het was om de geleverde partijen opnieuw in balen te gaan verpakken.
- Feestemaandag: tweede maandag na Pasen. Een verlofdag voor de zelfstandigen en de vlassers. Er werden dan onder meer bals georganiseerd.
- Groen vlas: benaming voor het vlas in de stadia van de bewerking voor het roten.
- Haag: rij van tegen elkaar geplaatste handsvollen pas gesleten vlas op de vlaschaard. Zo opgesteld om optimaal te kunnen drogen.
- Hèrelkes rapen: de bij de bewerking op de grond achtergebleven vlasstengeltjes verzamelen. Een typisch kinderwerkje.
- Hekel: een kam met spijkers waar het gezwingelde vlas door wordt getrokken om knopen te verwijderen.
- Hekken: houten, open rootbak waarin men het vlas in de Leie rootte.
- Hekkenier: de man die verantwoordelijk was voor het onderhoud van de hekkens en de opvolging het rootproces in de Leie.
- Hippen: zaaddoosje van de vlasplant.
- Kapel: benaming voor de kegelvormige drooghutjes waarin het gerote vlas opgesteld staat op de weiden naast de roterijen.
- Ketens: heel erg sterke vlasvezels.
- Kloten: kleine propjes kroten, verstopt in de hoekjes van een baal vlas. Deze kloten maakten de baal hanteerbaar en golden as een soort fooi van de botenkopers aan de emballeurs van de verzender.
- Knappe: [handbraak] eenvoudig handwerktuig dat gebruikt werd om de houten bast van de vlasplant te breken. De stengel werd tussen twee houten plankjes gekneusd.
- Kroten: [klodden, déchets] korte vlasvezels die bij de bewerking uit het vlas worden geslagen. De kroten werden aangewend om textiel, papier, vloeitjes en bankbiljetten (dollars) te maken.
- Kopen op voet: als het vlas op de vlaschaard per hectare wordt gekocht. Men kon ook op gewicht kopen.
- Koptrekker:[kopman] ervaren vlaswerker die het ritme aangaf bij het slijten of het kapellen.
- Lemen: de kleine stukjes gebroken houtstengel. Grondstof voor leemplaten.
- Leieroten: het vlas roten in houten bakken in stromend water. Door haar faam als rootrivier kreeg de Leie de bijnaam “Golden River”. De Leie en de Mandel beschikken immers over uitzonderlijke rootkwaliteiten. Het roten in stromend water werd in 1942 bij wet verboden.
- Lint: geheel gezuiverde vlasvezel
- Meers: de weide waarop het gerote vlas te drogen wordt gezet. Vanwege hun ligging langsheen de rivier ook wel Leiemeersen genoemd.
- Merk: een vlascategorie die door de spinnerij of de bestemmeling omschreven wordt, afhankelijk van het eindproduct. De verschillende kwaliteiten kregen een welbepaald nummer.
- Nek: gedeelte van plant en vezel dat onmiddellijk onder de kop zit, een tiental centimeter van boven.
- Partij: een gelijksoortige hoeveelheid vlas die bij elkaar hoort
- Pectine: de slijmerige kleefstof waarmee het vezellint aan de bast van de vlasplant gekleefd zit.
- Piep: fijn, krullig stof dat bij het zwingelen wordt opgejaagd.
- Roten: de pectine, die het vezellint op de houten bast van de vlasplant houdt, losweken door de inwerking van bacterieën.
- Roterij: [warmwaterroterij] gebouw met betonnen rootkamers waar het vlas in water van ca 35°C geroot wordt.
- Rootmoer: poel die gegraven werd om het vlas te blauwroten.
- Schelf: in open lucht getaste stapel vlas.
- Slekke: lange platte kar waarmee men het vlas over de droogweiden vervoerde.
- Slijten: het uittrekken van het rijpe vlas.
- Slijtcampagne: periode van seizoensarbeid waarbij men op de vlaschaarden in Wallonië of Frankrijk ging slijten.
- Slijtpap: pap van in melk gekookte mastellen en speculoos, afgewerkt met suiker, kaneel en boter. Dit gerecht werd geserveerd aan de seizoensarbeiders na het slijten van de vlaschaard. Op die manier werd het slijtfeest ingezet.
- Smoortijd: rusttijd die werd ingelast om een pijp te stoppen of een sigaret te roken.
- Stofbuk: longaandoening, gelijkaardig aan de stoflong of de molenaarsziekte. Typische vlasserkwaal.
- Stoop bier: een aarden kruik, gevuld met ongeveer 2 l bier. Het bier kon in een dergelijk recipiënt in de cafés gekocht worden. Het consumeren van een stoop bier was vooral populair bij de vlassers op de meersen of in de roterijen.
- Stres: nog natte en aan elkaar klevende vlasstengels in de kapellen op de meersen.
- Strovlas: ontzaad vlas
- Tonnezaad: Russisch lijnzaad. Het zaad werd in de 19de eeuw in houten tonnen van 80 kg verscheept vanuit de Baltische havenstad Riga.
- Top en aars over elkaar: geschrankte handsvollen vlas.
- Tremel: [wanmolen] houten toestel waarin het kaf van het zaad gescheiden wordt door een vernuftig samenspel tussen wind en zeef.
- Trimard: seizoensarbeider (in vreemde streken)
- Turbineren: met de turbine het gerote vlas zwingelen.
- Vaerende Vrouwe: geduchte plaatselijke windhoos. Kwam onverhoeds opsteken en kon de drogende kapellen tientallen meters de lucht innemen. Al het gedane werk was dan vergeefs geweest.
- Veldten:[dauwroot] primitief rootprocedé waarbij het vlas op de vlaschaard zelf gespreid wordt.
- Verkoren Maandag: de eerste maandag na Driekoningen. Een feestdag voor de vlassers. Traditioneel staat er dan een mis, een lezing, een maaltijd en bal op het programma.
- Verregenen: als het drogende vlas in kapelletjes een regenbui te verwerken heeft gekregen. Dit is nefast voor de kleur van het vlas. De schors is nu immers door roting een slijmerig vlies geworden. Door de regen spoelt ook dit laatste vlieslaagje helemaal weg, waardoor het blootgestelde lint grijs verkleurt.
- Verslaan: [voorzwingelen] korte zwingelbeurt om de loshangende en de korte vezels uit het vlas te slaan.
- Vlasmarkt: de straten waar de botenkopers hun magazijnen hadden en het vlas te koop aanboden. In Desselgem, Wevelgem, Bissegem, Kuurne en Ingelmunster waren de belangrijkste vlasmarkten.
- Vlaschaard: vlasakker
- Vlasser: zelfstandige vlasbewerker
- Voerman: transporteur die met paard en kar het vlas vervoerde. Het waren meestal volksmensen die bij de goegemeente goed gekend waren. Het beroep werd vereeuwigd in het liedje “Blanche en zijn peird” van Willem Vermandere.
- Wuppe: [Vlaamse stermolen] een met trappedalen aangedreven wiel met 10 tot 12 plankjes om het vlas te zwingelen.
- Zjeelder: een onbehouwen, klungelige vlaswerker.
- Zwingelberd en zwingelspaan: de eenvoudigste manier om vlas te zwingelen: men houdt het vlas in de inkeping van een opstaand houten bord, en men slaat plank de lemen uit de vezels.
- Zwingelen: de vlasvezels zuiveren van de gebroken houtdeeltjes van de bast. Deze lemen werden eruit geslagen.
- Zwingelkot: éénvoudig hok of barak achteraan de hoeve, waar de vlasser zijn wuppe opstelde.